Algemene vakbegrippen

Doorvalveilig

In ASR A2.1 worden dakvlakken en bouwconstructies gedefinieerd als doorvalveilig, wanneer deze stabiel genoeg zijn om te worden betreden door personen zonder dat zij gevaar lopen er doorheen te vallen. Als werkzones en looppaden niet doorvalveilig zijn, is een omheining vereist of het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen tegen vallen (PBM tegen vallen). ASR A2.1 geeft enkele voorbeelden van typische toepassingsgebieden of onderdelen van een gebouw die eventueel niet doorvalveilig zijn:

  • vezelcement golfplaten
  • asbestcement golfplaten
  • bitumen golfplaten
  • Dakramen, bv. lichtplaten, lichtstraten, lichtkoepels
  • lichtdoorlatende daken, bv. glasdaken, daken van kunststof
  • beglazingen, bv. sheddaken
  • zonne- of fotovoltaïsche panelen

Voorschriften voor valbeveiliging

Volgens ASR A2.1 mogen niet-doorvalveilige dakvlakken alleen worden betreden als er “veilig uitgevoerde looppaden naar de werkzone aanwezig zijn”, zo luidt de tekst letterlijk. Dat kan bijvoorbeeld een stabiel loopplatform zijn, dat moet voldoen aan de volgende criteria:

  • minimumbreedte 50 cm
  • relingen aan beide zijden of
  • een hek aan één kant met aanlijnvoorzieningen als valbeveiliging (PBM)

In principe geldt echter ook dat in het kader van een risico-inventarisatie ter plekke moet worden bepaald welke preventieve maatregelen bij de uitvoering van werkzaamheden moeten worden genomen als medewerkers zich binnen 2 meter van niet-doorvalveilige vlakken zoals lichtkoepels moeten verplaatsen. Typische situaties hier zijn bijvoorbeeld schoonmaakwerkzaamheden aan de lichtkoepel zelf. De oplossing kan bestaan uit leuningen, afdekkingen, vangnetten, PBM tegen vallen of een combinatie hiervan.

keyboard_arrow_up