DGUV

DGUV Informatie 201-054

De DGUV Informatie 201-054 (voorheen BGI 5074) Dak-, timmer- en houtbouwwerkzaamheden is bedoeld voor bedrijven en geeft uitleg over de verschillende regelingen op het gebied van veilig werken op daken. De leidraad noemt hier de volgende werkzaamheden:

  • werkzaamheden waarbij dakconstructies, dakbekledingen, dakbedekkingen en dakafdichtingen en de onderconstructies hiervoor worden gemaakt, gerepareerd of verwijderd;
  • werkzaamheden voor het volledig afdichten van daken en de bescherming van de afdichting door bijvoorbeeld begroening of het aanbrengen van grind.

DGUV Informatie 201-054 behandelt grotendeels het onderwerp valbeveiliging. Hier worden verschillende situaties en toepassingsgebieden beschreven, evenals de voorgeschreven beveiliging. In principe is een maatregel voor valbeveiliging al voorgeschreven vanaf een potentiële valdiepte van slechts één meter als de dakhelling meer dan 22,5 ° is. In de leidraad worden maatregelen voor collectieve valbeveiliging, opvangvoorzieningen en persoonlijke beschermingsmiddelen tegen vallen (PBM tegen vallen) genoemd als mogelijke valbeveiligingsopties.

Uitzonderingsregeling voor valbeveiliging

Volgens DGUV Informatie 201-054 kan in bepaalde gevallen worden afgezien van een valbeveiliging, wanneer de verwachte valhoogte bij maximaal 3 meter ligt, de hellinghoek van het dak dat wordt betreden onder 22,5° ligt en het dak een begroend oppervlak van maximaal 50 m² heeft. Daarbij moet de werktijd dan wel zo kort mogelijk worden gehouden. Daarnaast moet de werkgever in geval van een goed onderbouwde uitzondering een aanvullende instructie geven en moet de valrand altijd duidelijk herkenbaar zijn.

Gebruik van PBM tegen vallen bij werkzaamheden op daken

Bij werkzaamheden op daken worden PBM tegen vallen ingezet als andere beschermingsmaatregelen om redenen van arbeidsveiligheid en bouwkundige omstandigheden niet haalbaar zijn. De basis hiervoor is het aanwezig zijn van geschikte aanlijnvoorzieningen, waar de werkers op hoogte hun beschermende uitrusting betrouwbaar kunnen bevestigen. Aanlijnvoorzieningen zijn geschikt, als volgens DGUV Informatie 201-054:

“[...] het bevestigde valstopsysteem niet los kan raken van de aanlijnvoorzieningen en het draagvermogen voor een persoon is aangetoond volgens de technische bouwvoorschriften voor een kracht van 9 kN, die door het opvangen op de constructie werkt, inclusief de lasten die voor de redding meegerekend moeten worden (bv. het gewicht van de gevallen persoon).”

Als typische verankeringsmogelijkheid op hellende dakoppervlakken verwijst de informatiebrochure naar veiligheidsdakhaken die getest en gemarkeerd zijn volgens DIN EN 517. Verder staat er: “Aanlijnmogelijkheden op dakoppervlakken ≤ 22,5 ° helling zijn bijvoorbeeld aanlijnvoorzieningen die in overeenstemming met de installatiehandleiding van de fabrikant duurzaam gemonteerd zijn.”  Typische voorbeelden die in de praktijk vaak worden aangetroffen zijn (enkelvoudige) ankerpunten of kabelsystemen voor valbeveiliging.

Wie mag PBM tegen vallen gebruiken?

Individuele valbeveiligingsmaatregelen, zoals persoonlijke beschermingsmiddelen tegen vallen, mogen alleen worden gebruikt door goed opgeleid personeel om een betrouwbare valbeveiliging te garanderen. Het gebruik van PBM tegen vallen vereist een “speciale instructie inclusief een praktische training van medewerkers in het correct gebruik” en “het treffen van de noodzakelijke reddingsmaatregelen na het opvangen”, zoals letterlijk staat vermeld in DGUV Informatie 201-054.

Meer over het thema
keyboard_arrow_up