PBM tegen vallen

Verbindingsmiddel

In de valbeveiliging wordt met een verbindingsmiddel elk type leeflijn bedoeld, waarmee werkers op hoogte en aan valranden zich vasthaken aan een aanlijnvoorziening. Het vormt de verbinding tussen valbeveiliging en de persoon die moet worden beveiligd: het verbindingsmiddel wordt aan het ene uiteinde bevestigd aan het ankerpunt of kabelsysteem op het gebouw en aan het andere uiteinde aan het veiligheidsharnas dat de gebruiker draagt. Verbindingsmiddelen zijn zo gemaakt dat ze de gebruiker bij een val kunnen opvangen. Daarnaast worden ze gebruikt voor positionering op werkplekken. Als materiaal wordt meestal stevig textiel gebruikt, bijvoorbeeld kernmantellijn of band. Bij valstopapparaten worden meestal banden of rvs kabels toegepast.

Types verbindingsmiddelen

Verbindingsmiddelen die de gebruikers opvangen, zijn voorzien van een geïntegreerde of aanvullende demper. Leeflijnen zoals een meelopende valbeveiliging met flexibele ankerlijn beschikken bijvoorbeeld over een (band-)valdemper. Valstopapparaten zijn vaak uitgerust met een geïntegreerde demper. Al naar gelang de soort, de toepassing en de geïntegreerde onderdelen gelden er voor verbindingsmiddelen bepaalde regelingen en normen. Ze moeten dan ook op basis van een of meerdere normen gekeurd en gemarkeerd zijn. Gangbare certificeringen zijn:

  • Meelopende valbeveiliging met flexibele ankerlijn volgens DIN EN 353
  • Verbindingsmiddelen volgens DIN EN 354
  • Valdempers volgens DIN EN 355
  • Koppelingen (bijvoorbeeld karabijnhaken) volgens DIN 362

Wat de uitvoering betreft kunnen verbindingsmiddelen behoorlijk uiteenlopen. Een meelopende valbeveiliging met flexibele ankerlijn combineert een leeflijn met een valdemper en een handmatig instelbare lijnverkorter. Zo kan de lengte individueel worden aangepast en de lijn altijd op positie worden gespannen.

Twinbanden of Y-verbindingsmiddelen daarentegen hebben een vaste lengte, maar zijn voorzien van in totaal drie karabijnhaken. Een haak wordt vastgemaakt aan het veiligheidsharnas van de gebruiker, de beide andere aan de aanlijnvoorziening. De twee haken aan het uiteinde van de leeflijn worden aan de overgangen tussen verschillende ankerpunten en aan de tussensteunen van niet passeerbare kabelsystemen na elkaar verplaatst. Op die manier is een beveiliging zonder onderbreking gewaarborgd.

Meer over het thema
keyboard_arrow_up