DGUV - Duitse wettelijke ongevallenverzekering

DGUV Regel 112-199

DGUV Regel 112-199 "Redding van hoogte en diepte met persoonlijke beschermingsmiddelen tegen vallen van hoogte" wordt gebruikt bij het kiezen en gebruiken van PBM voor redding en evacuatie. In deze regel staat duidelijk beschreven welke soorten Persoonlijke beschermingsmiddelen tegen vallen van hoogte kunnen worden gebruikt voor redding en hoe ze op de juiste manier worden gebruikt.

Selectiecriteria

DGUV-regel 112-199 noemt drie criteria die belangrijk zijn bij de keuze van PBM voor redding en evacuatie:

  • geschiktheid voor redding en evacuatie binnen een redelijke tijd;
  • mogelijkheden om aan te passen aan de ergonomie van de gebruiker;
  • omstandigheden op de werkplek.

Op basis van deze criteria moet de werkgever in overleg met de gebruikers reddingsgordels of reddingslussen, hijsmiddelen voor redding, afdaalsystemen en koppelingen kiezen.

Redding en evacuatie

Naast een opsomming van de PBM die gebruikt kunnen worden bij de redding en evacuatie geeft de DGUV Regel ook een overzicht van de verschillende reddingsoperaties. Te denken valt aan onder andere het redden uit een schacht of mangat, het redden uit een klim- en stijgsysteem en het redden van een persoon die vrij in de ruimte hangt. De werkgever moet een reddingsplan opstellen waarin de stappen bij een redding precies staan beschreven. Daarbij moet er rekening worden gehouden met de omstandigheden op de werklocatie. Dit reddings- en evacuatieplan is de basis voor de training volgens DGUV Regel 112-199.

Des Weiteren wird beschrieben, was bei der Anwendung der einzelnen Ausrüstungsgegenstände zu beachten ist.

Daarnaast wordt beschreven waar bij het gebruik van de voorzieningen op moet worden gelet.

Gebruik en gebruiksduur van PBM tegen vallen van hoogte

De levens- en gebruiksduur van PBM tegen vallen van hoogte is beperkt. Om vast te stellen of veilig gebruik nog wel gewaarborgd is, is regelmatige inspectie door een deskundige noodzakelijk. Voor het uitvoeren van de inspectie is de ondernemer verantwoordelijk. Hoe vaak de inspectie gebeurt is afhankelijk van de (bedrijfs-)omstandigheden waarin de voorziening wordt gebruikt. De inspectie moet echter minstens om de twaalf maanden gebeuren.